Overpeinzingen na een paar dagen graven

Geschreven op 15 december 2016

Een keihard bestaan, armoe troef, ellende, overleven, manipulaties via de kerk en andere macht- en gezaghebbers zijn op dit moment de dingen die steeds door mijn hoofd schieten als ik bezig ben met het verre verleden van mijn voorvaderen en -moederen. Kijkend van dat verleden naar het heden vraag ik mij af: Is er eigenlijk wel iets veranderd? Thea Beckman verwoorde dat in 1973 al zo treffend in Kruistocht in spijkerbroek. Ik citeer hieronder even twee fragmenten:

“Was het in Dolfs eeuw anders? In grote delen van de twintigste-eeuwse wereld leefden machthebbers en staatshoofden er goed van, al crepeerde de bevolking van honger, armoede en ellende. Wie in die landen opstand durfde te blazen, werd in de gevangenis geworpen, gemarteld, vermoord. De twintigste eeuw – Dolf had het herhaaldelijk op de televisie gezien –  was niet beter dan de dertiende, zelfs niet beschaafder.” (p. 186)

“Tussen de lijfeigene die met de zweep werd bedreigd, en de moderne fabrieksarbeider die met werkeloosheid werd bedreigd, was het verschil in wezen niet zo groot.” (p. 186)

De boeken over Bartje van Anne de Vries verhalen zonder directe kritische kanttekeningen over een verleden in Drenthe.  Ik kan niets citeren, omdat ik de boeken niet bezit. Ik leende ze heel lang geleden uit de bibliotheek naar aanleiding van de verfilming hiervan, maar herinner mij nog de grote tegenstellingen tussen arm en rijk en mijn daarbij behorende onrechtgevoel. De verfilming, de dramaserie, raakte mij als tienjarige enorm, omdat ik zoveel herkende door wat mijn opa Sappemeer (de vader van mijn moeder) mij had verteld over de vroege jaren van zijn leven. Vooral zijn leven in het armenhuis vond ik zo verschrikkelijk triest.

Een paar jaar geleden kreeg ik van mijn tante een cassette te leen waarop een -in mijn ogen vrij recent- radio-interview met mijn opa Sappemeer staat. In dit interview vertelt opa onder meer over zijn kindertijd. Het is schrijnend, heel schrijnend. Als ik even tijd en zin heb, zal ik het interview of een deel ervan vertalen (opa vertelde zijn verhaal in het Gronings), uitwerken en hier plaatsen. Zijn verhaal geeft een tijdsbeeld weer over het leven van een arbeiderskind in en/of rondom het veenkoloniale noorden van ons land in het begin van de twintigste eeuw.

Ook schoten de boeken en de televisieseries Merijntje Gijzen en Sil de strandjutter mij door het hoofd. Andere plaatsen, niet heel duidelijk gedefinieerde tijden, maar zo herkenbaar door de verhalen die mij opa’s en oma’s mij vertelden.

Opa’s en oma’s: toen mijn eerste opa overleed, was ik bijna 35 jaar oud. Ik hoorde niet alleen vele verhalen van mijn grootouders, maar ook van overgrootouders. Toen ik geboren werd, leefden op twee na al mijn overgrootouders nog. De biologische moeder van opa Sappemeer was in zijn kinderjaren al overleden en de moeder van mijn opa Kiel was net wel of net niet overleden toen mijn papa en mama verkering kregen.

Terug naar Start in Anloo – menu